InleidingHet Basel-accoord definieert richtlijnen voor risicobeheersing voor banken (niet bijvoorbeeld verzekeraars; dat is wettelijk gescheiden). Zowel Europese alsook Amerikaanse banken nemen deel, maar banken uit ontwikkelingslanden bijvoorbeeld niet. Het comité heeft richtlijnen opgesteld die zijn geadopteerd door landen. Toezicht op de regels vindt plaats vanuit de centrale banken van de landen die deelnemen. Alhoewel de administratieve belasting voor banken fors is, is er weinig andere keuze dan de regels te implementeren. Betrouwbaarheid van banken is voor banken een belangrijk verkoopargument en banken willen hun rating behouden c.q. verbeteren.
ReserveBanken verdienen geld met het uitzetten van spaargelden. Hoe meer geld een bank daarvoor beschikbaar heeft, des te meer mogelijkheden er zijn om winst te maken. Bij dat uitzetten loopt een bank risico's. Centrale banken eisen daarom dat een deel achter de hand wordt gehouden als kapitaal voor problemen. Van het uitgezette bedrag varieert dat tussen ongeveer 5% en 25% (afhankelijk van de risico's). In Basel I werden grove percentages gehanteerd voor het aan te houden kapitaal. Dat bleek nog niet voldoende om problemen bij banken te voorkomen. Er was sprake van een moral hazard: Banken konden grotere risico's nemen met spaargelden omdat investeringsbeslissingen onvoldoende transparant waren. Basel II heeft verfijndere modellen om het aan te houden kapitaal te berekenen.
AanloopIn de aanloop naar Basel zijn er Quantitative Impact
Studies (QIS) geweest om te bepalen wat de impact van de rekenregels op
banken is. Bedoeling van de nieuwe regels is een verfijning zonder groter
veranderingen. QIS 5 (najaar 2005) moet de laatste impact analyse worden voor de daadwerkelijke invoering eind 2006. |
|
|