OverzichtCommunicatie tussen computers is inmiddels heel
vanzelfsprekend. De constructie eronder bestaat uit een aantal eenvoudige
bouwstenen die door hun samenhang wat lastiger te begrijpen is in het begin.
Netwerkadapter en MAC-adresNetwerkadapters (ook wel Netwerkkaarten) krijgen vanuit de fabrikant een eigen adres. Dit adres is genoemd naar de OSI-laag waarvoor dit adres is: Media Acces Control (MAC). Het adres vanaf de fabriek is wereldwijd uniek (omdat fabrikanten hun eigen reeks hebben). Via dit adres communiceren netwerkadapters met elkaar op één kabel (netwerksegment). In sommige kaarten kan dit MAC-adres worden opgegeven. Voorbeeld van een MAC-adres: 001234567890.
TCP/IP-adresWanneer twee netwerksegmenten via een router met elkaar worden verbonden ontstaat er een probleem: Computers in de verschillende segmenten kunnen elkaar niet vinden. Om dat mogelijk te maken zijn er twee zaken nodig:
De nummering die is bedacht is vergelijkbaar met nummerborden. 4 cijfers tussen 0 en 255 en gescheiden door een punt in plaats van een streepje, met als doel een uniek nummerbord te maken en niet meer dan dat. Voorbeeld van een IP-adres: 192.168.1.1. Mechanisme om berichten die bestemd zijn voor een computer in een ander netwerksegment is niet moeilijk:
Dit is wat routers doen.
TCP/IP-adres automatisch krijgen via DHCPHet opgeven van een TCP/IP-adres kan via het configuratiescherm. In plaats van intypen is er de mogelijkheid om een TCP/IP adres op te vragen. Opvragen kan bij een DHCP-server. Dit is een functie op een server of router die computers die daarom vragen een TCP/IP-adres geven. Mechanisme (protocol) is simpel:
Communicatie verloopt op kabelniveau (MAC-adressen), dus de DHCP-server moet op hetzelfde netwerksegment zitten.
PINGOpdracht die kan worden gegeven bij de commandoprompt is PING. Een berichtje wordt gestuurd naar een ander TCP/IP-adres. Wordt het ontvangen dan wordt een berichtje teruggestuurd. Meer doet het niet, maar is genoeg om te testen of een andere computer bereikbaar is.
PoortenTussen twee computers kan er allerlei verkeer zijn: Mail, surfen via internet, programma's, enzovoorts. Om netwerkberichten op deze computers naar de bijbehorende applicatie te sturen wordt (opnieuw) gebruik gemaakt van nummers voor applicaties. Voorbeeld van een poort: 192.168.1.1:80.
FirewallIP-adressen en poorten zijn herkenbaar in netwerkverkeer en kunnen worden uitgefilterd voor ze bij de computer aankomen. Dit gebeurt door een firewall en is niets meer dan het opgeven van verboden TCP/IP-adressen en poorten. Slimme plaats om te filteren is daar waar het verkeer toch langs komt naar andere netwerksegmenten: In de router.
Logische namenComputers kunnen wereldwijd via hun TCP/IP-adres worden benaderd. We gebruiken natuurlijk liever logische namen zoals www.siemons.info of \\Administratieserver\Afdeling1\. Er zijn in principe 2 soorten logische namen:
De logische naam wordt op de computer ingetypt.
DNS voor domeinnamenMooi die logische namen, maar hoe weten computers elkaar dan te vinden? Ook al niet moeilijk: Door op het netwerk servers te plaatsen met telefoonboeken die de logische naam vertalen naar het bijbehorende TCP/IP-adres. Dit is precies wat een Domain Name Server (DNS) doet.
WINS voor UNC-servernamenIn microsoft-netwerken is historisch een andere benadering gegroeid. Iedere computer krijgt een naam. Omdat deze computers toch al aanmelden op servers kunnen deze namen automatisch aan een telefoonboek worden toegevoegd. En dat is precies wat WINS-servers doen: De namen en bijbehorende adressen automatisch in een telefoonboek zetten.
ProblemenEnkele problemen die zich voor kunnen doen en mogelijke oorzaken helpen het plaatje wellicht beter te begrijpen.
|
|
|